Abboneren op de RSS-feed

Recensies

Recensie in Vocaal – het magazine van de Koninklijke Christelijke Zangersbond – KCZB
door Herman Schimmel

 

Veluwsche Sanghertjes brengen nieuwe CD

Hoe kun je gebruik maken van een grote groep mensen die betrokken is bij je kinderkoor?
Dat doet Gijs Evers, dirigent van de Veluwsche Sanghertjes, op een unieke manier.
Onlangs bracht het koor een nieuwe CD uit, waarop de ensembles allemaal zingen.

Het koor de Veluwsche Sanghertjes telt twee kinderkoren, een tienerkoor, een vocaal damesensemble en een vaderkoor. Het vaderkoor wordt gevormd door vaders van de kinderen en in het damesensemble zingen ook moeders uit het kinder- en tienerkoor. En zo kun je prachtige combinaties maken en ontstaat er een CD met afwisselende nummers, die het waard is om te beluisteren.

Er wordt fris en helder en vooral zeer zuiver gezongen. De titel van de CD is “Wij leven opgewekt” en op de Cd staan liederen voor de tijd rondom Pasen. Liederen van o.a. André Troost, Sytze de Vries, Jan Visser en Joanne van Amstel. Zo klinkt heel sereen het nummer Ik wil mij gaan vertroosten door het damesensemble of de prachtige Engelse hymne There is a green hill far away. Bijzonder fraai is ook de prachtige solo Nu valt de nacht, zonder opsmuk en in een prachtige wisselzang met het damesensemble. De begeleiding van de nummers is stijlvol en afwisselend. Er wordt begeleid met piano, harmonium, orgel, viool, trompet, harp en slagwerk in verschillende samenstelling. Door de opbouw van de nummers op deze Cd wordt toegewerkt naar een prachtige afsluiting met de titelsong waarin alle instrumenten en ensembles samenkomen.

—————————————————————————————————————————————————————————————————————————————

Wij leven opgewekt …

Recensie in het Reformatorisch Dagblad door S. M. W. Bezemer

Ze hoeven nauwelijks nog introductie, de Veluwsche Sanghertjes, bekend door hun kleurrijke optredens, hun thematisch geordende cd’s en hun vocale kwaliteiten.
Ze bestaan alweer 42 jaar. En dat is vooral te danken aan hun onvermoeibare diri¬gent, Gijs Evers, die al die jaren zijn koren weet te enthousiasmeren met nieuw repertoire en originele arrangementen.
Het repertoire op de jongste cd heeft te maken met het gebeuren rond Pasen en is weer zeer divers. Bekende liederen als ”Ik wil mij gaan vertroosten” en ”O hoofd bedekt met wonden” worden afgewisseld door minder gangbare, zoals een lied over Simon van Cyrene en een motet van Jakob Handl uit de zestiende eeuw – fraai vertolkt door het vaderkoor.
Wat een cd van de Veluwsche Sangher¬(tje)s zo plezierig maakt, is de variatie in koren en bezetting. Het kinderkoor wordt afgewisseld door een vocaal damesensemble, een tienerkoor en een vaderkoor, begeleid door een groep instrumentalisten die op hun taak berekend zijn. Terecht zijn de meest bekende lijdens- en paasliederen in bewerkte vorm aan deze laatste groep toebedacht.
Valt er ook nog een kritische noot te kraken bij al dit moois? Alleen het voorspelbare euvel van de intonatie. Als je kinder¬stemmen inzet voor soli kun je niet verwachten dat alles altijd zuiver klinkt. Evers maakt die keuze bewust, getuige de grote schare van alleen zingende kinderen. Hij had echter zelf beter geen solo kunnen zingen, maar zich bij zijn leest moeten houden: dirigeren, want dat doet hij voortreffelijk. Ik vermoed trouwens achter de bewerkingen onder de naam ”Kolibrie” ook zijn hand. Die zijn namelijk uitstekend.
Wij leven opgewekt – de Veluwsche Sanghertjes o.l.v. Gijs Evers; DKCD 6509; € 18,50; www.dekolibrie.net

—————————————————————————————————————————————————————————————————————————————

Artikel in het Nederlands Dagblad door Roel Sikkema d.d. 13 maart 2015 n.a.v. de CD Wij leven opgewekt …

Samen zingen met vader en opa
In Putten en omgeving is het een begrip: de vijf koren die samen de Veluwsche Sanghertjes vormen. Na jaren maakten ze weer eens een cd met mooie opnames van 33 passie- en paasliederen.

Vorige maand werd dirigent Gijs Evers van de Veluwsche Sanghertjes 65. Over enkele maanden neemt hij afscheid van de school waaraan hij jarenlang was verbonden. Maar na meer dan veertig jaar is hij nog steeds niet uitgekeken op zijn koren. ‘Het repeteren is elke week weer een feest. Het is prachtig hoe kinderen die eerst wat bleu en schichtig zijn, kunnen opbloeien als ze samen met anderen zingen.’
Evers leidde rond 1970 enkele kinderkoren. ‘In 1973 voegde ik die samen tot de Veluwsche Sanghertjes. Ze bleven apart, maar traden daarna wel samen op.’
Sommige kinderen wilden blijven zingen toen ze te oud werden voor het kinderkoor. ‘Daarom richtte ik na verloop van tijd een tienerkoor op, Viva’, zegt Evers. Maar ook daarna wilden sommigen graag onder zijn leiding blijven zingen. ‘Daarom kwam er ook een dameskoor dat Viva Voce ging heten. Er zitten nu vrouwen van twintig tot ongeveer veertig jaar op.’ Omdat Evers op een gegeven moment mannenstemmen nodig had, vroeg hij aan de kinderen of hun vader mee wilde doen. ‘Zo kwam er in 1987 een vaderkoor bij. Sommige mannen zingen nog steeds met plezier en dus zitten er nu ook enkele opa’s op.’
Het mooie van zo’n serie koren is dat Evers bijna elke denkbare klankcombinatie kan maken. ‘Als ik een gemengd koor wil hebben, voeg ik het dameskoor en de vaders samen. Het dameskoor Viva Voce en het vaderkoor zingen ook vaak in kwartet. De volwassenen zingen ook samen of in afwisseling met de kinderen.
Een extra afwisseling laat Evers horen in de begeleiding van zijn koren. ‘Meestal gebeurt dat met piano of orgel, maar op onze laatste cd hebben we ook een harmonium gebruikt. Daarnaast laten we vaak subtiel een contrabas en slagwerk horen. Onder de ouders van de kinderen zitten twee professionele violisten, die nu ook deel uitmaken van het combo. Met de nieuwste cd doet ook een trompet en harp mee. ‘
Evers hecht eraan de kinderen zo zelfstandig mogelijk te laten zingen. ‘Ik laat ze vaak solo zingen. De sfeer op de koren is zo dat dit ook kan. Als iemand het even niet zo goed doet, wordt zo’n kind niet uitgelachen, maar accepteren de anderen dat. Vroeger heb ik op cd slechts enkele kinderen solo laten zingen, maar op de nieuwste zingen veel meer kinderen solo.’
Zingen is goed voor de ontwikkeling van het kind, daarvan is onderwijzer Evers na veertig jaar overtuigd. Juist op dit punt maakt hij zich wel zorgen. ‘Sinds een jaar of twintig wordt steeds sterker de nadruk gelegd op visualisatie. Eerst kwamen er dia’s in de klas, later filmpjes, nu kunnen we op het digibord het hele internet laten zien. Allemaal prachtig, maar de ontwikkeling van het gehoor wordt hierdoor sterk verwaarloosd. Luisteren naar muziek of naar een verhaal is er nauwelijks meer bij. Terwijl door het leren luisteren het leren onthouden en leren concentreren bevorderd wordt.’
Evers denkt dat het maken van muziek ook voor andere leergebieden gunstig is. ‘Als je kinderen niet alleen noten leert lezen maar ze liedjes leert door ze voor te zingen, leren ze memoriseren. Daar heb je ook in andere vakken veel aan.’
Bij het uitzoeken van repertoire voor zijn koren gaat Evers zorgvuldig te werk. ‘Gelukkig heb ik een uitgebreide muziekbibliotheek, waar ik uit kan putten. De kinderen leren ook liederen die de nu nog niet helemaal begrijpen, maar als het goede kerkliederen zijn, is het toch de moeite waard. Ze hebben een schat van teksten tot hun beschikking en dat is een groot bezit.’
Een mooie selectie van dergelijke liederen is te horen op de pas verschenen cd Wij leven opgewekt met 33 passie- en paasliederen, maar liefst 75 minuten muziek. De originele begeleiding valt op. Evers zorgde voor afwisseling door steeds een andere combinatie van instrumenten voor de begeleiding in te zetten. Een prachtige cd waarmee deze korencombinatie voor de dag kan komen. Mooi is de afwisseling van de verschillende solostemmen, al is ook natuurlijk kwaliteitsverschil te horen. Jammer is ook dat sommige onderdelen wat te ruimtelijk zijn opgenomen. Toch blijft deze cd een mooi visitekaartje van deze unieke korencombinatie. ■

Wij leven opgewekt De Veluwsche Sanghertjes o.l.v. Gijs Evers. DKCD 6509. Te bestellen via www.dekolobrie.net

——————————————————————————————
KOM ER IS IETS MOOIS TE VIEREN …

Evert van Dijkhuizen | Reformatorisch Dagblad

De Veluwsche Sanghertjes bestaan sinds 1973. Aan de wieg van het koor stond onderwijsman Gijs Evers. Dat hij nog steeds enthousiast de leiding over het Puttense koor heeft, is bijzonder. Samen met zijn vrouw Tineke en dochter Anne-Marieke weet Evers, daarbij uiteraard gesteund door vele anderen, het koor op de kaart te houden.
Origineel repertoire, enthousiaste zang, veelbelovende solobijdragen en een frisse begeleiding met een grote diversiteit aan instrumenten (van orgel tot accordeon) zijn muzikale handelsmerken waar de Veluwsche Sanghertjes al jaren goede sier mee maken. Ook de nieuwste cd, ”Kom er is iets moois te vieren”, gevuld met kerstliederen, is daar weer het klinkende bewijs van. Achter de schermen moet er veel werk zijn verzet om met kleuters, kinderen en tieners dit resultaat te bereiken. Het dwingt respect af.
De cd biedt een grote variatie aan liederen, van ”Stille nacht” tot ”Celtic Alleluia”. Evers laat zijn koorleden in verschillende talen zingen en kiest vaak voor een verrassende uitvoering, van eenstemmig tot duetten, trio’s en kwartetten. Daardoor verveelt de cd geen moment. Ook de bijdragen van het damesensemble Viva Voce en het vaderkoor dragen daaraan bij. Leuk dat de kids muzikaal support krijgen van hun eigen ouders.
De Veluwsche Sanghertjes dragen op een bewonderenswaardige manier bij aan het culturele leven in Putten, maar ook ver daarbuiten. Het koor heeft optredens in het Amsterdamse Concertgebouw, de Rotterdamse Doelen en voor –destijds– koningin Beatrix op zijn naam staan. Het Veluwse dorp kan trots zijn op deze ambitieuze, muzikale ambassadeurs.

———————————————————————————————————————————————————

Marten Kamminga:  speler bij de gratie Gods
door Dr. G.W. Marchal

Willem Barnard, overleden in 2010, wist zich geroepen tot ‘taalpastor’. Marten Kamminga is muziekpastor. Ik ontmoette hem eerder in muzikaal verband. Nu zitten we samen in een inloophuis, naast de Lucaskerk in Ermelo. De aanleiding is de
verschijning van zijn bundel
nader tot jou. Een schatkamer met maar liefst 277 liederen, met muzieknotatie en pentekeningen van een overleden vriend en collega.

Veldwijk
Marten Kamminga, geboren in 1949 inNoord-Scharwoude, kreeg de liefde voor kerkmuziek van huis uit mee. Zijn vader is ondanks zijn hoge leeftijd nog steeds actief als organist en ‘zangmeester’. Vader en zoon speelden dikwijls samen, terwijl moeder aandachtig en kritisch luisterde. Marten werd onderwijzer en gaf in zijn vrije tijd een aantal lessen aan een muziekschool. Hij ontdekte steeds meer wat muziek voor mensen, ook en vooral voor kinderen, kan betekenen. Muziek raakt de binnenkant, brengt iemand nader tot zichzelf, nader tot de ander. Wonder boven wonder: ook nader tot de ANDER, God, die de Allernaaste wil zijn. Deze verrassende ontdekking speelt mee in de titel van de bundel liederen.

Meester Kamminga heeft die toenadering ervaren in het onderwijs, vooral met kinderen die – zoals dat heet – een achterstand hebben. Door allerlei omstandigheden – ook gebeurtenissen in zijn gezin, die hem toevielen, zelfs ook ontvielen – werd zijn werkterrein verlegd naar het brede veld van de psychiatrie. Kamminga werd aangesteld als muziektherapeut bij het grote psychiatrisch centrum Veldwijk in Ermelo. In 1886 werd dit huis geopend, ontstaan door toedoen van de Vereeniging tot Christelijke verzorging van Krankzinnigen en Zenuwlijders in Nederland. Initiatiefnemer was vooral professor Lucas Lindeboom (1845-1933). Inmiddels is er veel veranderd in en om Veldwijk. Het heet nu Centraal, centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg. In zijn ruim dertigjarig dienstverband is er ook voor Kamminga veel veranderd, maar zijn liefde voor
kwetsbare mensen, zijn oprechte, eenvoudige zoektocht naar toenadering, is onverminderd van kracht. Daarvan getuigen zijn liederen. Dat straalt hij uit.
Ik ben er ook getuige van in het inloophuis, waar we zomaar met elkaar een lied
zingen. Ik zie en hoor ook Koos, die ik tot dusver alleen maar kende via een CD, een kerstmusical, die ik stuk gedraaid heb.

Eredienstvaardig
Het is de titel van een boekje van Willem Barnard. Een trouwe vriend en organist in Beekbergen sprak telkens over: ‘het beste voor de Liefste’. Marten Kamminga werd benoemd als muziektherapeut, maar hij ontwikkelde zich gaandeweg, in de omgang met bewoners en collega’s, tot pastor. De meeste liederen zijn in de (ere)dienstpraktijk geboren. Samen met de predikant(en) de zondagse dienst voorbereiden in de Lucaskerk. Samen zoeken naar mogelijkheden om de woorden van de Bijbel dichterbij te brengen. Ook door middel van liederen. Zingenderwijs kom je doorgaans dichter bij het Geheim, dat wij niet bevatten, maar dat ons genadig omvat: God!
Ik verbaas mij over deze bijzondere gaven, in één persoon verenigd: aansprekende, indringende teksten schrijven en aanstekelijke liederen componeren. Weer denk ik aan de titel van een boek, dat ik ontving van organist, een medespeler in Hellendoorn: Waar
Woord en Toon elkander wijden…
(geschreven door C.-A.Wauters en Ds W.Bleij). Ik vraag Kamminga wat er met hem zelf gebeurt bij het zingen van zijn liederen. Ze zijn uit hem voortgekomen, maar ze komen nog vervolgens nog meer naar hem toe als liefdeslied van Hogerhand. Ik herken het van binnen uit omdat ik soortgelijke ervaringen heb in de prediking.

Een derde weg?
Kamminga timmert niet aan de weg. In alle eenvoud – ken-, keurwerk van het ware! – , met hart voor de Zaak die God met ons wil hebben, doet hij zijn werk. Ooit opperde iemand als plaatsbepaling: uw liederen vertegenwoordigen wellicht, met liederen van mensen als Oosterhuis en De Vries enerzijds, de wereld van de ‘Opwekking’ anderzijds, een ‘derde weg’. Kamminga heeft geen bepaalde doelgroep voor ogen. Als ik hem goed versta, gaat het hem om die bonte, brede kring, veelal ge(lit)tekend door het weerbarstige leven, in het Evangelie aangeduid met dat wonderlijke woord: ‘schare’. Jezus is met ontferming over hen bewogen.
Het dienstwerk in de Lucaskerk heeft sinds een aantal jaren een andere (toon)zetting. Kamminga zet zich op andere wijzen in voor de bewoners van het voormalige Veldwijk en voor anderen die van deze zorg gebruik maken. Hij is verder op velerlei wijzen dienstbaar: organist in een PKN-kerk in Putten, in de Engelse kerk aan het Begijnhof in Amsterdam; zelf heeft hij enkele koren en begeleidt andere koren, zoals onder meer de Veluwsche Sangertjes. Gijs Evers, die leiding geeft aan deze Sangertjes, is ook de man van uitgeverij de Kolibrie. Kamminga schrijft ook liederen voor de vieringen op de campings van de RCN (Recreatiecentra Nederland) en voor de Landelijke Diaconale Dag. De bundel nader Tot jou bevat ook een groot aantal pentekeningen. Ze zijn vervaardigd doorTonny van Beekum, vriend en medewerker van Kamminga.
Het is een voorrecht om elkaar in zo’n gesprek nader te komen. Ik zing de liederen. Al doende gebeurt wat het laatste lied verwoordt: ‘k zing de sterren aan de hemel. Zie de maan die naar je lacht. Ik weet dat er op mij gewacht wordt, levenslang en…nog
verder.

Marten Kamminga, Nader tot jou, Verzamelde liederen, uitg. de Kolibrie Putten 2011. ISBN 978-90-816299-1-1
Bestellen: www.dekolibrie.net

Recensies - Nader tot jou

Nader tot jou

Artikel Nederlands Dagblad 21 januari 2012 – door Roel Sikkema

Dertig jaar lang was Marten Kamminga (62) muziekpastor en muziektherapeut in het psychiatrisch ziekenhuis op landgoed Veldwijk in Ermelo. Onlangs verscheen een bundel met 277 van  zijn kerkliederen.

Volg je droom met muziek

‘Mevrouw Gijsseling, u  kunt zo mooi zingen, wilt u dat nu ook even doen?’ De oudere vrouw, die wat verloren in een hoekje van de kamer zit, komt naar voren. Ze neemt de microfoon in de hand en zingt vol overgave het nostalgische lied ‘Het hutje aan de zee’. Op een gegeven moment kan ze niet verder. Met tranen in de ogen, zegt ze: ‘Ik wil nu eerst een liedje voor de Heer zingen.’ Sommige mensen in inloophuis De Bolder van GGz Ccentraal op landgoed Veldwijk in Ermelo luisteren. Anderen praten er een beetje doorheen, lezen hun krantje of zijn aan het googelen op de computer. Marten Kamminga begeleidt mevrouw  zo nauwkeurig mogelijk op de elektronische piano. Als ze klaar is, komt Riet naar voren. Ook zij wil wat zingen. Kamminga geeft haar een tekstboek; ze zingt er een paar liedjes uit, maar verandert zo nu en dan de woorden. ‘Zo zie je hoe mensen hier met muziek bezig zijn’, zegt Kamminga later in zijn kantoor. Tijdens het interview blijft er muziek klinken in de zaal; de begeleiders die tegen etenstijd Kamminga even groeten, zijn er verbaasd over.

Wat deze morgen gebeurde, laat wel zien hoe belangrijk muziek voor deze mensen kan zijn. ‘Het gaat om mensen die intern op het landgoed wonen’, zegt Kamminga. ‘We streven naar een zo goed mogelijke kwaliteit van hun leven. Dat doen we door samen met hen inhoud te geven aan hun leven. En gelukkig werkt dat ook. Vroeger waren er maar twee mogelijkheden: Er wordt aan genezing gewerkt of je bent uitbehandeld. Wij werken hier vanuit de visie van ‘rehabilitatiegericht handelen’’. Daarbij staat de hele mens centraal. Je bent bezig met herstel in de breedste zin van het woord: Volg je droom en ontdek samen met je hulpverlener  wat er nog mogelijk is ondanks je ziekte of handicap. Dit gebeurt in een sfeer van gelijkwaardigheid.’

saamhorigheid
Marten Kamminga komt uit een muzikaal gezin in Noord-Scharwoude. ‘Mijn vader speelde vaak op het harmonium thuis en op het orgel in de kerk. Hij is nu negentig, maar begeleidt nog geregeld de gemeentezang. De mensen zingen graag bij hem.’

Zo vader zo zoon dus…
‘Ja, ik kreeg al jong les, eerst van Bram Bruin en later van zijn zoon Hans, muziekleraren uit Alkmaar. Vooral van Hans heb ik veel techniek geleerd. Hij is een goede pianist; ik merkte dat je op een piano veel meer invloed had op de toonvorming dan bij een orgel. Toen we trouwden, kochten we daarom eerst een piano en pas later een orgel.’
Na de middelbare school koos Kamminga allereerst voor een baan in het onderwijs. Hij ging naar de kweekschool, zoals dat toen heette, en werd onderwijzer. ‘Daarna heb ik zo’n tien jaar voor de klas gestaan op een lagere school. Dat was een mooie tijd, waarin ik al veel met muziek bezig was. Ik liet de kinderen veel zingen en gaf soms ook muziekles in andere klassen. De onderwijsgevenden daarvan namen dan bijvoorbeeld een aardrijkskundeles van mij over.’
Van basisschool naar Veldwijk is een hele overgang, maar voor Kamminga toch wel een logische. ‘Ik werd mede op het spoor van muziektherapeut gezet, toen we na twee gezonde dochters een jongetje kregen dat meervoudig gehandicapt was. Toen er sprake van was dat hij naar een tehuis zou gaan vertelde de directrice dat bewoners vooral reageren op life muziek. Ik herkende dat. Ik had in de klas al gemerkt hoe positief kinderen reageren wanneer ze veel zingen en muziek maken.  Dat beïnvloedt de stemming, prikkelt ze tot expressie en kweekt saamhorigheid.’ Uiteindelijk kwam het zoontje niet in een tehuis terecht want hij overleed op tweejarige leeftijd na een periode waarin hij steeds minder reageerde. ‘De handicap zelf kon ik wel aanvaarden, evenals zijn dood. Dat was voor hem het beste. Maar de aftakeling te zien, dat was moeilijk.’
Het idee om muziektherapeut te worden, liet Kamminga niet los. Hij ging erover lezen, kreeg ook uit zijn omgeving signalen dat dit wel iets voor hem zou zijn, maar aarzelde, toen in 1979 een belangrijke vacature ontstond. ‘Dat was bij het blindeninstituut Bartiméus in Doorn. Wim ter Burg ging daar met pensioen. Ik heb overwogen hem op te volgen. Maar ja, de grote Ter Burg opvolgen, van de bekende serie liedboekjes Alles wordt nieuw…  Ik durfde het niet. Twee jaar later kwam de advertentie van Veldwijk. Ik werd toen muziektherapeut in de toenmalige chronische sector. Die functie ontwikkelde zich na verloop van tijd deels tot muziekpastor ’’

belevingsgericht
Als muziekpastor werkte hij mee aan de wekelijkse diensten in de Lukaskerk, die op het terrein van het ziekenhuis staat. De diensten waren oorspronkelijk vooral  bestemd voor patiënten en personeel van het ziekenhuis, maar juist in de jaren tachtig kwam er een grotere integratie met het dorp Ermelo, waardoor er ook steeds meer bezoekers vanuit het dorp kwamen. De diensten waren afwisselender dan die in de meeste andere kerken. ‘Eens per maand zong de Lukascantorij, die voornamelijk uit patiënten bestond, daarnaast was er Vox Nio, het koor van personeel en vrijwilligers; verder was er een gospelgroep, werkten vaak solisten mee, scholen en was er een instrumentaal instuifconsort. We probeerden afwisseling en verrassing in de diensten te brengen. Zo ontstond een ontspannen sfeer, waarin veel mogelijk was. Zo kwam Riet, die er toen ook al woonde, wel eens op onverwachte momenten binnen en dan wilde ze midden in een preek iets zingen. Zulke dingen hoorden er gewoon bij. Ik moest dan even met haar overleggen wanneer ze zou kunnen zingen, want dat kon natuurlijk niet direct. Maar als de preek afgelopen was, mocht ze spontaan een lied laten horen.’
Door de week bestond Kamminga’s werk als muziekpastor voor een belangrijk deel uit het leiden van ‘Bijbeluurtjes’. ‘Dat waren een soort vespers, waarin we sterk de nadruk op liederen en rituelen legden. Die steeds terugkerende rituelen waren belangrijk voor de mensen.’
Een jaar of zeven geleden werd in Veldwijk een forse reorganisatie doorgevoerd, waarbij de functie van muziekpastor werd geschrapt. ‘Dat leverde een opvallende reactie op vanuit het werkveld, óók van niet-christelijke kant’, zegt Kamminga. ‘Men vond het niet terecht dat de Bijbeluurtjes werden opgeheven, want dat ging in tegen het officiële beleid van belevingsgericht werken dat men nu juist wilde bevorderen. Men vroeg daarom of die uurtjes niet in de een of andere vorm konden worden voortgezet. Ik schreef daar een module over en zo kwam dat Bijbeluurtje terug, met een andere naam – ‘morgenzang’ – en een iets andere opzet. De ‘morgenzang’ is bestemd voor mensen die ‘iets met het geloof’ hebben, en wordt nu samen met de activiteitenbegeleiding uitgevoerd.’
Intussen was Kamminga nog wel voor de helft van zijn tijd werkloos en moest op zoek naar invulling van die tijd. ‘Ik kreeg daar alle hulp bij van de toenmalige afdeling personeelszaken. Uiteindelijk kon ik die helft invullen met het werk hier, in De Bolder. Er werkte daar toen een activiteitenbegeleider, een vriend van mij  die heel goed kon schilderen. Hij maakte voor elke kerkdienst een schilderij.  Toen hij overleed heb ik aangegeven dat ik wel op de Bolder zou willen werken. Dat is toen geregeld, waarbij ik de mogelijkheid kreeg veel met muziek te doen. Er kwam hier een heel instrumentarium en nu maak ik veel muziek met de patiënten en zing veel met ze. Dit ondersteunt op zijn beurt weer andere activiteiten die daar plaats vinden en beïnvloedt de sfeer.’
In zijn oude functie werkte Kamminga veel met vaste afspraken, hij wist per dag precies waar hij aan toe was. In De Bolder is dat anders. ‘Met deze mensen kun je vaak moeilijk afspraken maken; ze komen de hele dag door binnendruppelen. Ik probeer ze individueel te benaderen en hun motivatie te wekken. Zo helpen we de mensen ontdekken wat ze kunnen en betekenen.’
Muziek spreekt een universele taal, daar is Kamminga van overtuigd. Daarmee kan hij niet alleen psychiatrische patiënten, maar ook demente bejaarden benaderen. ‘Dementie zorgt voor een cognitieve aftakeling, maar muziek houdt het contact met de buitenwereld vast. Gevoelens van vroeger komen dan weer boven. Negatieve, maar ook positieve. Sommige neurologen pleiten voor een permanente muziektherapie. Samen zingen, muziek maken en muziek beluisteren, dat is belangrijk.’

Jules de Corte
In de dertig jaar dat Kamminga op Veldwijk werkzaam is, heeft hij honderden liederen gemaakt. Bijna driehonderd van zijn teksten, die hij zelf van melodieën heeft voorzien, zijn onlangs verschenen in de bundel Nader tot jou. Kamminga begon met teksten schrijven toen hij merkte dat veel liederen uit de traditionele bundels ontoereikend waren voor zijn werk. ‘We hadden behoefte aan materiaal waarin de kerkgangers hun vreugde en verdriet herkenden en konden uiten, ook in religieuze termen. Ik probeerde daarom liederen te maken met een duidelijke eenheid tussen muziek en tekst. De blinde liedjeszanger Jules de Corte was mijn grote voorbeeld’.

Hadden die ervaringen ook invloed op uw eigen geloofsleven?
‘Ik ben anders tegen Jezus aan gaan kijken. Van huis uit zie ik Hem als Verlosser. Mens en God, gestorven voor mijn zonden. Mooi, maar ook wat afstandelijk. Door mijn werk kreeg ik meer oog voor de menselijke kanten van Jezus. Door de Duitse theoloog Drewermann leerde ik de wonderen van Jezus anders te benaderen. Drewermann zei: “Jezus deed dingen die wij ook kunnen, maar waar wij doen er langer over.’’ Hij bedoelde met die uitspraak dat Jezus’ levenshouding van liefde zelfs tot in de dood helend en genezend werkt.’

Haalt u Jezus zo niet van een voetstuk? Wordt Hij niet te menselijk?
‘Paulus noemde Jezus de tweede Adam. Wij mogen Hem navolgen in zijn grote liefde, dan kunnen we grenzen overschrijden. De mens Jezus is juist erg boeiend; dat bedoel ik niet horizontalistisch. Meer zoals in het oude lied ‘Er ruist langs de wolken’, met de zin ‘Die hemel en aarde verenigt tezaam’. Jezus herstelde die eenheid door hoe Hij in het leven stond. Wij mogen Hem daarin volgen. Voor mij is dat de boodschap voor de hedendaagse mens.’

Uw liederen hebben vaak een vrij directe tekst en een eenvoudige muzikale structuur.
‘Mijn taalgebruik sluit aan op de gewone spreektaal, dus ook op die van de patiënten en cliënten. Dat is niet bepaald kerktaal, al heb ik er wel voor gewaakt echt ‘plat’ te worden. En wat de melodieën betreft, de kerkmusicus Willem Vogel heeft ooit eens gezegd dat een melodie die je na twee of drie keer voorzingen niet direct na kunt zingen, geen goede melodie is. Dat ben ik met hem eens.
Geregeld wordt gezegd dat mijn liederen tussen de traditionele psalmen en gezangen en Opwekking inzitten. Inhoudelijk en muzikaal heb ik met Opwekking niet zoveel. Ik herinner me een bijeenkomst waar ik een workshop had. Het begon eerst met een kwartiertje lofprijzing. Dat werd afgesloten door het lied ‘Jezus, ik houd van U’. Ik vroeg aan de aanwezigen wat ze daar eigenlijk mee bedoelden. Het blijkt dan dat mensen vaak vrome woorden zingen die niet zo steunen op de dagelijkse ervaring. Maar voor je het weet ben je alleen maar bezig om jezelf in een bepaalde verheven stemming te brengen. Met praise heb ik vaak het gevoel dat de gevoelens kunstmatig aangewakkerd worden.’

Mag dat dan niet, God lozingen?
‘Natuurlijk wel, maar hoe doe je dat en wanneer doe je dat? Ik ben meer voor een type lied dat je open maakt waardoor het loflied kan ontstaan. En dat je het moment ook z’n liturgische plek geeft. Liturgie is een wijze ordening waardoor je gevoelens zich kunnen nestelen.’

Maakt het moment waarop je dat doet, dan zoveel uit?
‘Als mensen in de kerk komen, zijn ze niet altijd vrolijk. Zeker bij de mensen hier, die zitten vaak met vragen als ze de kerk inkomen. Frits Mehrtens, een bekend kerkmusicus, zei ooit: “Je moet niet alleen zingen over de antwoorden, de oplossingen van de problemen, maar ook over de vragen en over de weg om bij die oplossing te komen.” Daarom kent de oude liturgie ook het Kyrie, het gebed om ontferming, om hulp voor kerk en wereld. Dat wordt tegenwoordig vaak heel netjes gezongen, maar in de vroege kerk kwam het voor dat mensen van buitenaf in diensten kwamen en dan vroegen: “Wat is dat voor geschreeuw?” En dan bedoelden ze dus het Kyrie. De gelovigen schreeuwden daar hun ellende uit. Want zij beseften: wij zijn ook deel van die wereld.  En daarna is er plek voor het Gloria, gevolgd door het belijden van je geloof (Credo). We staan stil bij het mysterie (Sanctus) en sluiten af met de lijdende mens (Agnus Dei). Dat zijn precies de vaste onderdelen van de klassieke liturgie van de kerk uit de oudheid. Liturgie is een serieus spel vol hoogten en diepten. En terugkomend op de lofzang: Dat is eigenlijk de hele liturgie: je hele mens-zijn is erin besloten met zijn prachtige en weerbarstige kanten.’

Is er in uw liederen een ontwikkeling te bespeuren? Zo’n twintig jaar geleden was godsverduistering een punt. Ik kan me voorstellen dat zoiets u beïnvloedde?
‘Nou, nee. Zelf ken ik dat niet zo. Ook deels een kwestie van karakter. Ik ken mezelf als een opgeruimd mens. Het besef van God is op een natuurlijke manier aanwezig  in het gewone dagelijkse leven. Ik heb in dit verband ook groot respect voor mensen met wie ik werk die ondanks hun ziekte op authentieke wijze God een plek geven in hun leven. Een bron van inspiratie voor mijn liederen.’

Mist u de bijzondere diensten in de Lukaskerk?
‘Jazeker! Want de verbinding van de liturgie met de mensen uit de zaligsprekingen is me lief. Aan de andere kent: ik ben inmiddels organist in twee kerken en daar zijn de diensten ook levendig. Een van die plaatsen is de Engelse Kerk aan het Begijnhof in Amsterdam. Daar speel ik geregeld in de zogenaamde Diensten met Belangstellenden. Vaak werken de koren waarvan ik dirigent ben, mee aan deze diensten. Verder werk ik in de Gereformeerde Kerk in Putten samen met een mooi team musici, zowel de organisten als de leden van de zanggroep. In onze kerk zingen we de klassieke psalmen en gezangen, liederen uit Nader tot jou en af en toe een lied uit Opwekking. Er is een goed contact met de mensen uit het jeugdwerk. Met Opwekking ben ik zoals gezegd niet zo gelukkig, maar als daaruit dan toch gezongen wordt vind ik het belangrijk dat dit goed gebeurt en zal ik daaraan ook mijn steentje aan bijdragen. Bovendien je bouwt op die manier bruggen tussen mensen die een verschillende muzikale stijl hebben. Als het goed is sta je open voor elkaars inbreng.’

Hoe moet dat nu over twee jaar, wanneer u met pensioen gaat? Een zwart gat?
‘Ik moet er nog even niet aan denken. Als ik me dan nog net zo fit voel als nu, zou ik er geen moeite mee hebben om pas op mijn 67e met pensioen te gaan. En verder volg ik graag mijn vader na die op zijn 90e nog actief en betrokken kerkorganist is.’

Om privacy redenen zijn de namen van de patiënten gefingeerd.

Enkele voorbeelden van liederen van Marten Kamm1nga zijn te beluisteren op www.dekolibrie.net